Auteurs van deze pagina: Tineke Leenaars en Jessica Leijten

0. Praktische informatie voor taalonderzoek
1. Algemene informatie over het Hindi
2. Specifieke informatie over het Hindi
3. Verwervingsfases in het Hindi
4. Onderzoek naar taalstoornissen in het Hindi
5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen

0. Praktische informatie voor taalonderzoek


Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer

Het Hindi-Urdu verschilt in een aantal opzichten van het Nederlands. Onderstaande problemen in de fonologie en morfosyntaxis zouden daarom het gevolg kunnen zijn van het leren van het Nederlands als tweede taal.
Verschillen in talige kenmerken tussen de moedertaal en het Nederlands kunnen leiden tot fouten in het Nederlands die gerelateerd zijn aan de moedertaal (en culturele achtergrond) van het kind; dit wordt negatieve transfer genoemd. Overeenkomsten tussen de moedertaal en het Nederlands kunnen de verwerving van de Nederlandse taal positief beïnvloeden; dit wordt positieve transfer genoemd. Transfer hoeft dus niet op een taalontwikkelingsstoornis te duiden.

Fonologie
Moedertaalsprekers van het Hindi-Urdu zouden problemen kunnen hebben met de uitspraak van de [x, v, ʒ, ɣ]. Deze vier klanken komen niet voor in het Hindi-Urdu, maar wel in het Nederlands. Klinkers die voorkomen in het Nederlands, maar niet in het Hindi-Urdu zijn de [ʏ, a:, y, øː].
Verder zijn de [v] en de [w] in het Hindi-Urdu niet betekenisonderscheidend, waardoor het kan voorkomen dat deze klanken in het Nederlands door elkaar gebruikt zouden kunnen worden.
Het Hindi-Urdu kent verdubbeling of geminatie op bepaalde medeklinkers, wat zou kunnen zorgen voor een afwijkende uitspraak in het Nederlands.

Morfologie
Naamwoorden
Zelfstandig naamwoorden in het Hindi-Urdu hebben een rijkere morfologie dan de zelfstandig naamwoorden in het Nederlands. De verwachting is dat kinderen weinig moeite zullen hebben met het eenvoudigere Nederlandse systeem.
Er wordt in het Hindi-Urdu geen verschil gemaakt tussen bepaalde en onbepaalde bijvoeglijk naamwoorden. De uitgang –e bij het Nederlandse bijvoeglijk naamwoord, afhankelijk van of het naamwoord bepaald of onbepaald is, zou verkeerd toegepast kunnen worden.
Het geslacht in het Hindi-Urdu wordt gemarkeerd op het werkwoord. De onderscheiding van mannelijk of vrouwelijk bij persoonlijk voornaamwoorden in het Nederlands zou problemen op kunnen leveren.

Lidwoorden
Lidwoorden komen niet voor in het Hindi-Urdu. Dit zou tot omissie- of commissiefouten kunnen leiden in het Nederlands.

Werkwoorden
In het Hindi-Urdu komen weinig onregelmatige werkwoorden voor, terwijl het Nederlands veel onregelmatige werkwoorden kent. Dit zou moeilijkheden kunnen opleveren voor moedertaalsprekers van het Hindi-Urdu. Daarnaast komt de stam van het werkwoord nooit op zichzelf voor, maar altijd in combinatie met een suffix. Dit zou ervoor kunnen zorgen dat kinderen onterecht een suffix aan de ik-vorm van een Nederlands werkwoord toevoegen.

Tijdsaanduiding wordt in het Hindi-Urdu aangegeven met een vorm van een werkwoord zijn, en niet door middel van een suffix zoals in het Nederlands.
Hindi-Urdu is een ergatieve taal, waardoor kinderen Nederlandse transitieve woorden zouden kunnen vervoegen op basis van het lijdend voorwerp in plaats van op basis van het onderwerp.

Syntaxis
De woordvolgorde in Hindi mag variëren en is niet zo streng als in het Nederlands. Hierdoor kunnen woorden in een, voor het Nederlands, niet toegestane volgorde gezet worden. Deze variërende woordvolgorde zou een aspect van de meertaligheid kunnen zijn.

Naar aanleiding van bovenstaande zouden onderstaande vragen kunnen worden onderzocht:
- Heeft het kind moeite om de Nederlandse klanken [x, v, ʒ, ɣ, ʏ, a:, y, øː] correct produceren?
Morfologie
- Maakt het kind geen onderscheid tussen bepaalde en onbepaalde bijvoeglijk naamwoorden, door correct gebruik van de uitgang –e?
- Maakt het kind geen onderscheid tussen mannelijke of vrouwelijk persoonlijk voornaamwoorden in het Nederlands?
- Laat het kind lidwoorden weg of gebruikt hij of zij ze incorrect?
- Heeft het kind moeite met de vervoeging van de onregelmatige Nederlandse werkwoorden?
- Vervoegt het kind de stam van het werkwoord bij een onderwerp in de ik-vorm?
- Geeft het kind alleen de tijd aan door middel van een hulpwerkwoord bij het hoofdwerkwoord?
Syntaxis
- Heeft het kind moeite met de SVO-woordvolgorde bij hoofdzinnen in het Nederlands?

Positieve antwoorden op bovenstaande vragen hoeven dus geenszins op een TOS te duiden. Ze kunnen evengoed het gevolg zijn van transfer vanuit de moedertaal.

Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen

Bij het onderscheiden van de mogelijke oorzaak van fouten in het Nederlands, is onderstaande vragenlijst per taalgebied (fonologie, morfologie, syntaxis en pragmatiek) opgesteld. Voorzichtigheid bij de analyse aan de hand van deze vragenlijst is geboden; de vragen vormen slechts een leidraad om NT2-fouten globaal van TOS-fouten te onderscheiden. De verkregen informatie dient als eerste indicatie voor de aanwezigheid van een taalontwikkelingsstoornis. De vragen kunnen gesteld worden aan ouders/tolken om te achterhalen of het kind bepaalde TOS-kenmerken vertoont. Deze vragenlijst is niet gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd naar de kenmerken van taalontwikkelingsstoornissen in het Hindi-Urdu, maar op taalstructuurkenmerken van het Hindi-Urdu en algemene TOS-kenmerken.

Fonologie
- Heeft het kind moeite met het produceren van bepaalde klanken in het Hindi-Urdu, terwijl het kind deze klanken volgens zijn of haar leeftijd zou moeten beheersen?
Morfologie
- Heeft het kind problemen met het vervoegen van werkwoorden in het Hindi-Urdu?
Syntaxis
- In het Hindi-Urdu specificeren de (morfologische) uitgangen de betekenis van de elementen in de zin. De woordvolgorde is van minder belang; het Hindi-Urdu heeft een vrijere woordvolgorde dan het Nederlands. Als een kind meer en langduriger fouten maakt in het Hindi-Urdu met vervoegingen dan (tweetalige) leeftijdsgenoten, geeft dit waarschijnlijk meer informatie dan de gebruikte woordvolgorde.
Pragmatiek
- Maakt het kind weinig oogcontact, is het verminderd wederkerig en heeft het zwakke communicatieve vaardigheden in de moedertaal?

Wanneer vaak ‘ja’ wordt geantwoord op bovenstaande vragen, is er mogelijk sprake van een TOS.

Verder kunnen universele mijlpalen in de taalontwikkeling aangehouden worden als leidraad. Zie hiervoor dit schema.

top


1. Algemene informatie over het Hindi


Taalfamilie

Hindi is de primaire officiële taal van India en wordt door minstens 45% van de Indiërs gesproken. Daarnaast wordt de taal ook gesproken in grote taalgemeenschappen buiten India, zoals: Nepal, Pakistan, Singapore, Maleisië, Burma, Mauritius, Trinidad, Guyana, Oost en Zuid Afrika.
Het is onduidelijk hoeveel sprekers van het Hindi er precies zijn, maar het heeft de derde plek veroverd op de wereldranglijst, na het Engels en het Chinees (Shukla, 2006).
Het Hindi is een Indo-Europese taal en heeft de volgende classificatie (Lewis, 2009):

  • Indo-Europees
    • Indo-Iraans
      • Indo-Arisch
        • Westelijk Hindi
          • Hindoestani
            • Hindi

Het verschil tussen Hindi en Urdu

Het Hindi en Urdu zijn officieel twee verschillende talen die ontstaan zijn uit het Hindoestaans: het Khari boli dialect. Ze worden echter vaak gezien als twee varianten van één taal. Wanneer er gekeken wordt naar de grammatica en basis vocabulaire van de twee talen, zijn ze bijna gelijk. De vervoegingen van werkwoorden, de achtervoegsels en naamwoorden in het dagelijkse taalgebruik bijvoorbeeld zijn identiek. Er zijn wel verschillen te vinden in het gebruik en de uitspraak van de talen, maar deze zijn minimaal (Barz, 1979). Het grootste verschil tussen de twee talen is op schriftelijk gebied: waar het schrift van Hindi is gebaseerd op Sanskriet, is dat van Urdu gebaseerd op het Arabisch en Perzisch schrift. Wat betreft het literair gebruik liggen de talen daardoor ver uit elkaar (Masica, 1993). Wat betreft het dagelijks taalgebruik echter, zal een spreker van het Urdu alleen een nieuw schrift en wat nieuwe woorden hoeven te leren om standaard Hindi te kunnen lezen, schrijven en spreken en andersom (Barz, 1979).
Bij de opzet van deze Wikisite is er een nadruk gelegd op (de verwerving van) gesproken taal, om bruikbare informatie voor logopedisten, klinisch linguïsten en andere geïnteresseerden weer te geven. Er zal daarom ook vooral op de gesproken aspecten ingegaan worden van het Hindi en Urdu. Omdat de gesproken talen een gelijke grammatica en syntaxis hebben en voor een groot gedeelte een gelijk vocabulaire, zal bij grote delen van deze Wiki gesproken worden over beide talen en worden deze verder benoemd als ‘Hindi-Urdu’. Deze gedeelten zijn dan ook gelijk op de pagina van het Hindi en op die van het Urdu. De algemene informatie, conclusie en aanbevelingen zijn wel voor de talen apart weergegeven.

Dialecten en verschil spreektaal/schrijftaal
De sprekers van Hindi in India kunnen ruwweg onderverdeeld worden in zes groepen:
1) moedertaalsprekers van standaard Hindi;
2) sprekers van Hindi met als moedertaal een dialect van het Hindi;
3) sprekers van Hindi met als moedertaal een andere Indo-Arische taal is, zoals het Panjabi, Gujarati en Bengali;
4) sprekers van Hindi met als moedertaal een Dravidische taal, zoals het Tamil, Telugu of een andere niet Arische taal;
5) moedertaalsprekers van het Urdu;
6) sprekers van Hindi met als moedertaal Engels (Nespital, 1990).

Een overweldigende meerderheid van de Hindi sprekers valt onder de tweede groep: de moedertaal is een (plattelands of stedelijk) dialect van het Hindi. Binnen deze regionale varianten van het Hindi is er een grote variatie in spreektaal afhankelijk van educatie en sociaaleconomische status. Dit resulteert in sociolecten. Daarnaast kan er een onderscheid gemaakt worden tussen formeel en informeel Hindi. De formele variant wordt gebruikt binnen educatie, literatuur en film en de informele variant voor alledaags taalgebruik (zoals bij bedienden en kinderen) (Shukla, 2006).

Schriftsysteem

Standaard Hindi wordt over het algemeen geschreven in het Devanāgari schrift, net als het Sanskriet. De tekens worden hierbij van links naar rechts geschreven en hangen aan een horizontale dwarsbalk. Het is een fonetisch schrift, bestaande uit 33 medeklinkers en 11 klinkers (Shapiro, 2003). Tevens is het schrift syllabisch, in de zin dat er verschillende tekens zijn voor klinkers die een syllabe op zichzelf vormen en voor klinkers die onderdeel zijn van een syllabe (McGregor, 1977).

devanagari.gif

(voorbeeldtekst van website Omniglot)

top

2. Specifieke informatie over het Hindi


Fonologie


Medeklinkers
In onderstaande tabel zijn de medeklinkers van het Hindi-Urdu weergegeven. De klanken [x, ɣ, q] zijn niet in dit schema opgenomen, maar komen wel voor in sommige variaties van het Urdu.

medeklinkers.jpg
medeklinkers.jpg

(Overgenomen uit Ohala, 1999)

Medeklinkers die voorkomen in het Hindi-Urdu, maar niet in het Nederlands zijn: [pʰ, bʱ, t̪ʰ, d̪ʱ, ʈ, ʈʰ, ɖ, ɖʱ, kʰ, ɡʱ, tʃ, dʒ, tʃʰ, dʒʱ, ɾ, ɽʱ].
Medeklinkers die voorkomen in het Nederlands, maar niet in het Hindi-Urdu zijn: [x, v, ʒ, ɣ].

De meeste medeklinkers kunnen hoorbaar langer worden uitgesproken (verdubbeling of geminatie), behalve de medeklinkers: [bʱ, ɽ, ɽʱ, ɦ] (Ohala, 1999).
Waar in het Nederlands de [v] en de [w] verschillende fonemen zijn en daarmee een klank-onderscheidend verschil hebben, is dit niet het geval in het Hindi-Urdu. De [w] en [v] zijn in het Hindi-Urdu allofonen, wat inhoudt dat het twee varianten van eenzelfde klank [ʋ], zijn. Wel is het zo dat er een [w] of [v] gebruikt wordt in een bepaalde context, dus helemaal inwisselbaar zijn deze klanken niet (Pierrehumbert en Nair, 1996). Doordat de klanken niet onderscheidend zijn in de moedertaal Hindi-Urdu, kan het voorkomen dat er in de tweede taal Nederlands deze klanken verkeerd gebruikt worden. Woorden met een [w] zouden uitgesproken kunnen worden met een [v] en andersom.

Klinkers
Het Hindi-Urdu heeft 11 klinkers, deze zijn weergegeven in onderstaande klinkerdriehoek.

klinkers.jpg
klinkers.jpg

(Overgenomen uit Ohala, 1999)

Klinkers die voorkomen in het Hindi-Urdu, maar niet in het Nederlands zijn: [ʊ, æ].
Klinkers die voorkomen in het Nederlands, maar niet in het Hindi-Urdu zijn: [ʏ, a:, y, øː].

Al deze klinkers, behalve [æ], hebben ook een nasale tegenhanger.

Morfologie

Naamwoorden
  • Zelfstandig naamwoorden
Het zelfstandig naamwoord kent in het Hindi-Urdu twee geslachten, mannelijk en vrouwelijk. Deze worden aangegeven met een ā (voor het mannelijk) en een ī (voor het vrouwelijk) als achtervoegsel bij het nominatief enkelvoud. Verder is er een onderscheid in enkelvoud en meervoud en zijn er drie naamvallen: nominatief (of direct ), oblique en de zelden gebruikte vocatief. De nominatief wordt vooral gebruikt voor het duiden van het onderwerp en soms voor het object, zoals weergegeven in onderstaande voorbeelden:

(1) laRkaa aayaa (de jongen kwam)
´jongen kwam’

(2) ek rupaii do (geef een roepi)
‘een roepi geef’

(Overgenomen uit Hansen, 1980)

De oblique wordt gebruikt voor elk naamwoord dat gevolgd wordt door een achterzetsel. Deze achterzetsels worden hetzelfde toegepast als voorzetsels bij ons, zo geeft het achterzetsel ‘se’ de betekenis ‘van’ aan een woord en ‘par’ ‘op ‘. Een voorbeeld van het achtervoegsel ‘par’ is als volgt:

(3) kitaab mez-par hai (het boek is op de tafel)
‘boek tafel-op is’

(Overgenomen uit Hansen, 1980)

Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal:
Het Hindi-Urdu heeft een rijkere morfologie wat betreft naamwoorden dan het Nederlands. Doordat het kind al kennis gemaakt heeft met een ingewikkeldere zelfstandig naamwoord samenstelling, zal het weinig moeite hebben met het eenvoudigere systeem in het Nederlands. Het is waarschijnlijk dat er geen problemen zullen optreden met alleen het enkelvoud – meervoud onderscheid in het Nederlands.

  • Bijvoeglijke naamwoorden
Bijvoeglijke naamwoorden in het Hindi-Urdu bestaan uit twee groepen: een groep die mee verbuigt met het zelfstandig naamwoord en een groep die niet verbuigbaar is. De verbuigingsgroep past zich aan, aan het zelfstandig naamwoord in geslacht, getal en naamval. Bij mannelijk komt er een lange ‘a’ achter het bijvoeglijk naamwoord in de directe vorm enkelvoud en een lange ‘e’ in de andere gevallen. De vrouwelijke vorm krijgt altijd een ‘i’ als achtervoegsel. De onverbuigbare bijvoeglijk naamwoorden hebben geen verschillende vormen en hebben ook niet allemaal eenzelfde klank of eindklank.

Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal:
Bij het leren van Nederlands zouden er problemen kunnen ontstaan met het leren van het onderscheid tussen het onbepaalde (bijvoorbeeld ‘een huis’) en het bepaalde geslacht (bijvoorbeeld ‘het huis’) van het zelfstandig naamwoord. Ditverschil bestaat niet in het Hindi-Urdu, en is daardoor lastig te verwerven. Het wel of niet gebruiken van een uitgang –e bij het Nederlandse bijvoeglijk naamwoord, dat afhankelijk is van de (on)bepaaldheid van het zelfstandig naamwoord, zou daardoor fout toegepast kunnen worden. Een kind zou bijvoorbeeld ‘een mooie meisje’ kunnen zeggen, waar dit eigenlijk ‘een mooi meisje’ zou moeten zijn.
.
  • Persoonlijk voornaamwoorden
Persoonlijk voornaamwoorden in het Hindi-Urdu kennen geen onderscheid in geslacht. Dit onderscheid wordt gemaakt door de werkwoordsvorm, of aangegeven in de context. Er wordt wel een onderscheid gemaakt op persoon, daar zijn drie vormen van, en is er een onderscheid in enkelvoud en meervoud. Ook zijn er twee naamvallen: nominatief (of direct) en oblique. Daarbij heeft de tweede persoon meervoud, net als in het Nederlands, twee vormen: een vorm voor bekenden en een beleefdheidsvorm. Dit geldt ook voor de derde persoon. Onder het hoofdstuk ‘pragmatiek’ zal hier verder op ingegaan worden. Verder heeft de derde persoon een onderscheid in dichtbij of ver weg. Een overzicht van de verschillende vormen is als volgt:

Urdu_pvnw.png
Urdu_pvnw.png


(Overgenomen uit Shapiro, 1989)

Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal:
Omdat ook bij de persoonlijk voornaamwoorden sprake is van een rijke morfologie, zal een kind met Hindi-Urdu als moedertaal geen moeite hebben met een deel van de Nederlandse vervoeging van het persoonlijk voornaamwoord. Een probleem dat wel op kan treden bij het leren van Nederlands als tweede taal, is het onderscheid maken tussen mannelijk en vrouwelijk. Omdat deze vorm niet voorkomt in de moedertaal is deze lastig te verwerven in een tweede taal.

  • Lidwoorden
Zoals te zien is in de voorbeelden bij het zelfstandig naamwoord hierboven, wordt er in het Hindi-Urdu geen gebruik gemaakt van lidwoorden. De context en het gebruik van nadruk op bepaalde woorden zorgen voor een onderscheid in bepaald of onbepaald (Barz, 1997), die in het Nederlands wordt weergegeven via lidwoorden. Doordat er geen lidwoorden voorkomen in de moedertaal, zou dit tot weglating of foutief gebruik van de lidwoorden in het Nederlands kunnen leiden.

Werkwoorden

Het Hindi-Urdu kent een uitgebreid systeem van werkwoordvervoegingen. In het grootste deel van de gevallen worden de werkwoorden op een regelmatige manier vervoegd. Er zijn weinig onregelmatige werkwoorden en deze uitzonderingen zijn makkelijk te leren (Shapiro, 2003). Werkwoorden worden vervoegd op basis van de grammaticale categorieën: aspect, tijd/ modaliteit en getal/persoon/ geslacht. Aspect en tijd/modaliteit zijn de belangrijkste grammaticale categorieën (Shapiro, 2003).

  • Aspect
Het grammaticaal aspect kan onder meer het begin, de voortgang, de voltooiing of het resultaat van de handeling aanduiden. In het Hindi-Urdu wordt er een fundamenteel onderscheid gemaakt tussen het imperfectief aspect (een onvoltooide actie) en het perfectief aspect (een voltooide actie) (McGregor, 1977). Het imperfectief aspect wordt verder opgesplitst in het habitueel aspect (een regelmatige of herhalende actie) en het progressief aspect (een actie die gaande is). Het perfectief aspect wordt gevormd door het suffix -ā/-e/-ī (afhankelijk van geslacht en getal, zie betreffende paragraaf) aan de stam van het werkwoord toe te voegen. De stam van het werkwoord is het infinitief minus het suffix -nā. Het habitueel aspect wordt gevormd door het suffix -tā/-te/-tī (afhankelijk van geslacht en getal, zie betreffende paragraaf) aan de stam van het werkwoord toe te voegen (Shapiro, 2003). Het progressief aspect wordt gevormd door een combinatie van het hulpwerkwoord rahnā (blijven)met het hoofdwerkwoord (McGregor, 1977).

  • Tijd en modaliteit
Werkwoorden met een aanduiding voor aspect hebben vaak ook één van de volgende vier aanduidingen voor tijd/modaliteit: tegenwoordige tijd, verleden tijd, presumptief (drukt waarschijnlijkheid, geloof of intentie uit) en subjunctief (drukt een gewenste of mogelijke stand van zaken uit). De drie aspecten en vier tijden leveren samen 12 aspect-tijd combinaties op. De tijd wordt uitgedrukt met een vorm van het hulpwerkwoord honā (zijn). Het hulpwerkwoord honā volgt op het hoofdwerkwoord (Shapiro, 2003).

Ter verduidelijking volgen hier drie voorbeelden van de 12 mogelijke aspect-tijd combinaties:

calnā = gaan/bewegen

(1) verleden tijd – perfectief:
vah calā thā (hij ging/hij is gegaan)
‘hij + gaan+perfectief suffix + verledentijdsaanduiding’

(2) tegenwoordige tijd – habitueel:
vah caltā hai (hij gaat (altijd))
‘hij + gaan+habitueel suffix + aanduiding voor tegenwoordige tijd’

(3) verleden tijd – progressief:
vah cal rahā thā (Engelse vertaling: he was going)
‘hij + gaan + progressief + verleden tijdsaanduiding’

(Overgenomen uit McGregor, 1977)

In het Hindi-Urdu zijn er ook werkwoordsvormen die geen specificatie voor aspect hebben, maar wel voor tijd. De bekendste vormen zijn: de toekomst, verscheidene vormen van het imperatief (gebiedende wijs) en het infinitief (Shapiro, 2003).

  • Getal, persoon en geslacht
Finiete werkwoorden zijn congruent met het onderwerp van de zin met betrekking tot: getal, persoon en geslacht. Dit wordt aangegeven door het gebruik van verschillende klinkers aan het eind van het werkwoord: ā (mannelijk enkelvoud), e (mannelijk meervoud), ī (vrouwelijk enkelvoud en meervoud) (Shapiro, 2003) of een andere werkwoordsvorm. Vergelijk onderstaand voorbeeld (4) met bovenstaand voorbeeld (1).

(4) verleden tijd – perfectief:
vah calī thī (zij ging/zij is gegaan)
‘zij + gaan+perfectief suffix + verledentijdsaanduiding’

(Overgenomen uit McGregor, 1977)

Een transitief finiet werkwoord (werkwoord dat een lijdend voorwerp bij zich kan hebben) met een perfectief aspect congrueert met het lijdend voorwerp van de zin en niet met het onderwerp. Het Hindi-Urdu is namelijk een ergatieve taal: een taal waarin het onderwerp van een intransitieve zin geheel hetzelfde behandeld wordt als het lijdend voorwerp van een transitieve zin. Als het werkwoord met het lijdend voorwerp congrueert, krijgt het onderwerp de ergatief markering –ne (McGregor, 1977).

Hindi-Urdu wordt verder gekenmerkt door het veelvuldig gebruik van samengestelde werkwoorden. De twee werkwoorden gedragen zich als één en het ondersteunende (hulp)werkwoord verliest zijn eigen betekenis. Een paar voorbeelden van deze hulpwerkwoorden zijn: jānā (gaan), lenā (nemen) en denā (geven) (McGregor, 2003).

Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal:
Het Nederlands heeft veel onregelmatige werkwoorden en dit zal voor sprekers van het Hindi-Urdu (net als voor veel anderstaligen) moeilijk zijn, omdat ze allemaal apart aangeleerd moeten woorden. In de eigen taal komen deze ook bijna niet voor. In Hindi-Urdu heeft het werkwoord altijd een suffix en wordt de stam van het werkwoord op zichzelf niet gebruikt. Kinderen zouden dan ook onterecht een suffix kunnen toevoegen aan de ik-vorm van het werkwoord in het Nederlands. De tijdsaanduiding wordt in het Hindi-Urdu weergegeven met een vorm van het werkwoord honā (zijn) en niet met een suffix zoals in het Nederlands (-de(n) of -te(n)). Het kan kinderen ook meer moeite kosten om dit onder de knie te krijgen. Daarnaast zijn er in Hindi-Urdu meerdere vormen van tijd en aspect die een grote rol spelen in het werkwoordsysteem, die in het Nederlands niet of weinig uitgedrukt worden. Dit kan ook problemen opleveren. Omdat Hindi-Urdu een ergatieve taal is, kan transfer naar het Nederlands ervoor zorgen dat kinderen transitieve werkwoorden vervoegen op basis van het lijdend voorwerp en niet het onderwerp.

Syntaxis

Hindi-Urdu hebben in principe een Subject-Object-Verb volgorde (onderwerp-lijdend voorwerp-werkwoord), waar wij in het Nederlands “Ik pak een boek” zeggen, zou dit in Hindi-Urdu “ik boek pak” zijn. Deze volgorde hoeft echter niet strikt toegepast te worden, een woord waar men de nadruk op wil leggen kan op een andere plaats in de zin gezet worden (Hansen, 1980). Verder worden bijvoeglijk naamwoorden voor het zelfstandig naamwoord geplaatst en bijwoorden voor het werkwoord. Vraagzinnen worden op verschillende manieren gevormd. Bij gesloten vraagzinnen wordt het vraagwoord “kya” aan het begin van de zin geplaatst, waarbij de rest van de zin in de basisvolgorde staat. Bij een open vraag wordt het vraagwoord niet aan het begin van de zin geplaatst, maar voor het werkwoord in de zin (Shapiro, 1989).

Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal:
Ondanks dat Nederlands officieel een SOV volgorde heeft net als bij Hindi-Urdu, zijn veel zinnen in het Nederlands van het patroon SVO. Alleen wanneer er sprake is van inversie wordt er in het Nederlands gebruik gemaakt van de SOV volgorde, in de andere gevallen is SVO de enige optie. Dit zou dan ook lastig kunnen zijn voor kinderen met Hindi-Urdu als moedertaal, een SOV zinspatroon zou ook in het Nederlands toegepast kunnen worden in gevallen waar dit niet hoort.
Daarbij aansluitend zou het kunnen dat deze kinderen de vrije woordvolgorde van het Hindi -Urdu toepassen in het Nederlands. Waar in het Nederlands een afwijkend zinspatroon afgekeurd wordt, en daardoor eventueel gekoppeld aan een mogelijk taalprobleem, is dit in het Hindi-Urdu niet het geval. Bij een kind dat Hindi-Urdu als moedertaal heeft zou een variërende woordvolgorde een aspect van de meertaligheid kunnen zijn.

Samengestelde zinnen
Nevenschikking:

Een nevenschikking wordt in het Hindi hetzelfde gevormd als in het Nederlands. De zinnen zijn dan onafhankelijk van elkaar. Er zijn tekens die voegwoorden uitdrukken. और (aur) is bijvoorbeeld ‘en’, या (ya) is ‘of’.



Onderschikking:



Samengestelde zinnen met een onderschikking worden op dezelfde manier gevormd als in het Nederlands. Voorbeelden van voegwoorden zijn क्यूंकि (kyunki – because) en चूँकि (chunki, aangezien)

Voor relatieve bijzinnen wordt vaak जो (jo) gebruikt. Dit kan die, dat, wat en wie betekenen. In het Hindi wordt vaak een zogenaamde ‘relatieve correlatieve’ constructie gebruikt. Dit houdt in dat een betrekkelijk voornaamwoord in de andere hoofd-of bijzin samengaat met een extra voornaamwoord, naast het woord waar het naar verwijst. In het Nederlands zou dit dan bijvoorbeeld vertaald worden als: ‘De man die daar staat, hij is mijn broer.’

Pragmatiek

In het Hindi-Urdu kunnen er verschillende niveaus van beleefdheid worden uitgedrukt met het persoonlijk voornaamwoord. Er zijn drie varianten van het persoonlijk voornaamwoord (tweede persoon): āp, tum en . De vorm āp wordt gebruikt in formele situaties en om respect te tonen. Het wordt gebruikt om mensen aan te spreken die ouder zijn, meer gezag hebben of op gelijke voet staan (zoals collega’s). Het is vergelijkbaar met de Nederlandse vorm u. De vorm tum wordt gebruikt voor het aanspreken van familieleden, goede vrienden en personen met een lagere sociale status (zoals een bediende). De vorm wordt in twee zeer verschillende situaties gebruikt. Het kan gevoelens uitdrukken van grote vertrouwelijkheid of informaliteit, bijvoorbeeld wanneer er met kleine kinderen wordt gepraat. Het kan ook gevoelens uitdrukken van boosheid en afkeer. De vorm wordt met de enkelvoudige vorm van het werkwoord gebruikt en de vormen tum en āp met de meervoudsvorm van het werkwoord, onafhankelijk of er één of meerdere mensen worden aangesproken (Shapiro, 2003).
Het grammaticaal partikel wordt gebruikt in combinatie met een eigennaam om respect aan te duiden. Het wordt tevens toegevoegd aan de woorden hām (ja) en nahīm (nee) in een context waarin āp wordt gebruikt (McGregor, 1977).

Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal:
De beleefdheidsvorm in het Nederlands is minder uitgebreid dan in de moedertaal en zal daardoor waarschijnlijk geen problemen opleveren. De kans is wel aanwezig dat een kind bij gebruik van het persoonlijk voornaamwoord jij/u kiest voor de meervoudsvorm van het bijbehorende werkwoord, omdat dit bij twee van de drie vormen in Hindi-Urdu gebruikelijk is.

top

3. Verwervingsvolgorde in het Hindi


Er zijn onderzoeken gevonden naar de verwerving van Hindi-Urdu bij kinderen. Deze waren echter specifiek gericht op bepaalde morfologische verschijnselen in de taal en gaven helaas geen overzicht van de verwervingsvolgorde in het Hindi-Urdu. Een voorbeeld hiervan is het onderzoek van Budwig, Narasimhan en Srivastava (2006), dat in gaat op het gebruik van (in)transitionele werkwoorden bij kinderen tussen ongeveer drie en vier jaar. Hierin wordt geconcludeerd dat kinderen in deze leeftijdsfase gebruik maken van generalisaties en nog niet volledig op een volwassenen niveau van gebruik zitten. Helaas kan hier verder geen overzicht gegeven worden van de verdere verwervingsvolgorde of een vergelijking gemaakt worden met de verwervingsvolgorde in het Nederlands.


4. Onderzoek naar taalstoornissen in het Hindi


Helaas zijn er geen onderzoeken gevonden die ingaan op taalstoornissen in het Hindi.


5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen


Van het Hindi is helaas weinig bekend op het gebied van taalstoornissen. Bij kinderen met Hindi als moedertaal en Nederlands als tweede taal zijn er echter wel problemen te voorspellen die veroorzaakt kunnen worden door deze tweetaligheid. Door deze kenmerken in gedachten te houden bij eventueel onderzoek bij deze kinderen, kan er een betere scheiding gemaakt worden tussen problemen veroorzaakt door meertaligheid en problemen die te wijten zijn aan een taalstoornis. Om een duidelijk beeld te schetsen wordt bij het kopje praktische informatie voor taalonderzoek nogmaals kort de grootste probleemgebieden van de meertaligheid genoemd. Verder zijn de gebruikte referenties van dit stuk gegeven, mocht u dieper in willen gaan op bepaalde taal-structuren of elementen die hierboven zijn genoemd dan kunt u deze artikelen of boeken raadplegen. Verder is er een overzicht gegeven van eventueel handige sites over het Hindi.

Literatuur

  • Barz, R.K. (1977). An Introduction to Hindi and Urdu. Canberra: Faculty of Asian Studies, Australian National University.
  • Budwig, N., Narasimhan, B., and Srivastava, S. (2006). “Interim solutions: The acquisition of early constructions in Hindi," InE.Clark and B.Kelly (Eds.) Constructions in acquisition, Stanford, CA: CSLI Publications.
  • Hansen, L. (1980). Learning and Forgetting a Second Language: The Acquisiton, Loss and Re-acquisition of Hindi-Urdu Negative Structures by English-Speaking Children.Berkeley: University of California.
  • Humayoun, M. (2006). Urdu morphology, orthography and lexicon extraction. PhD Thesis, Department of Computer Scrience and Engineering, Chalmers University of Technology and Göteborg University, Göteborg.
  • Koul, O. N. (2009). Modern Hindi Grammar. Indian Institute of Language Studies. (p. 165, 179, 187)
  • Lewis, M. Paul (ed.), (2009). Ethnologue: Languages of the World, Sixteenth edition. Dallas, Tex.: SIL International.
  • Masica, C.P. (1993). The Indo-Aryan Languages. Cambridge: Cambridge University Press.
  • McGregor, R. S. (1977). Outline of Hindi Grammar, 2nd Ed., Oxford University Press, Oxford-Delhi.
  • Nespital, H. (1990). "On the Relation of Hindi to its Regional Dialects", in Ofredi Mariola (ed.), Language versus Dialect: Linguistic and Literary Essays on Hindi, Tamil and Sarnami, Delhi, Manohar.
  • Ohala, Manjari (1999). "Hindi", in International Phonetic Association, Handbook of the International Phonetic Association: a Guide to the Use of the International Phonetic Alphabet, Cambridge University Press, pp. 100–103.
  • Pierrehumbert, J. en Nair R. (1996). Implications of Hindi Prosodic Structure (Current Trends in Phonology: Models and Methods), European Studies Research Institute: University of Salford Press.
  • Shapiro, M.C. (1989, 2003). A primer of Modern Standard Hindi. Delhi: Motilal Banarsidass.
  • Shukla, S. (2006). "Hindi" in Keith Brown. ed. Encyclopedia of Language and Linguistics (2 ed.). Elsevier

Handige sites over het Hindi



De Wikipedia-sites over het Hindi zijn, zeker in het Engels, een uitgebreide informatiebron. De links hiernaar zijn als volgt:

http://en.wikipedia.org/wiki/Hindi
http://en.wikipedia.org/wiki/Hindi-Urdu_grammar
http://en.wikipedia.org/wiki/Hindi-Urdu_phonology

Twee leuke en uitgebreide sites voor het leren van het Hindi:
http://www.learning-hindi.com/
http://hindiurduflagship.org/resources/

Deze site geeft een overzicht van het schrift, heeft audiobestanden van het alfabet en spraak en heeft een lijst met links naar handige websites:
http://www.omniglot.com/writing/hindi.htm

top